Rasstandaard

Streefdoel van de fok

Naar algemene voorstelling is het doel van ons fokbeleid te streven naar een gezonde, hoog in adel verheven langharige zwart-witte voorstaande hond dat als veelzijdige en wendbare jachtgebruikshond op verschillende terreinen ingezet kan worden. Zijn voornaamste jachtgerichte eigenschappen zijn de eigenschap om zich goed te laten leiden, het zich gemakkelijk laten aanleren en zijn betrouwbare bruikbaarheid voor de jacht, in het bijzonder na het schot.

Algemene verschijning

Een Grote Munsterlander heeft een krachtige gespierde lichaamsbouw, met een snedig totaalbeeld. Hij heeft een intelligente en adellijke uitdrukking, is levendig met maar niet nerveus.

Haar

Grote Munsterlanders zijn Zwart-Witte honden: ze zijn wit of licht tot donker geschimmeld met zwarte platen en stippen. Hun adellijk hoofd is zwart, eventueel met een witte snep of bles. Ze worden wit met zwarte platen geboren, pas na enkele weken wordt de schimmeltekening zichtbaar

Haarvorm

Lang en dicht - evenwel bescheiden - niet krullend of afstekend daar dit voor de bruikbaarheid in de jacht hinderlijk is. Typische langhaar. Het haar moet bij de reu meer dan bij de teef aan de achterzijde van de voor en de achterbenen bijzonder lang en dicht zijn (goed bevederd). Ook aan de staart zal het haar bijzonder lang zijn. Het haar aan de oren zal lang zijn en duidelijk afsteken op de onderrand van de oren (zijwaarts gezien). Het haar op het hoofd is kort en aanliggend.

Lichaamsmaten

Romplengte en schouderhoogte zullen mogelijk gelijk zijn. De romplengte kan de schouderhoogte met 2 cm overschrijden. Reuen meten tussen 60 en 65 cm, teven hebben een stokmaat tussen 58 en 63 cm. Reuen wegen rond de 30 kg, teven zijn doorgaans iets lichter.

Kop

Een Grote Munsterlander heeft een edel en lang gestrekt hoofd met geringe stop. Ze hebben een pientere uitdrukking en een afgetekende kinstructuur.
De vang is krachtig en lang. De lippen hangen niet over. Het gebit is volledig (42 tanden) en perfect scharend. De hoektanden zijn uitgesproken.
De neusrug heeft een juist afgetekende neuszwam en de ogen zijn bruin en goed gesloten. Hoe donkerder de ogen, hoe beter.
De oren zijn breed en vrij hoog aangezet; onderaan zijn ze afgrond en ze liggen goed aan.
De hals is edel maar krachtig en goed gespierd

Romp

De schoft is middelhoog, lang en goed gespierd. De rug is kort, vast en met een licht afhellende goed gespierde, lange, brede kroep. De nierpartij is afgetekend en goed beschermd door sterke spieren.
De borst is breed, diep met een duidelijke voorborst. De buik is licht opgetrokken, sterk en slank. De flanken zijn kort en hoog aangezet.

Ledematen

De voorhand is sterk, recht en goed bespierd. De schouderplaten liggen vast aan aan de ribben.
De achterhand is krachtig, sterk gespierd en heeft een loodrechte stelling
De hoeking van de knie- en spronggewrichten is correct.
De tenen zijn goed gesloten, de poten zijn van matige lengte en ronding. Wolfsklauwen moeten verwijderd worden.

Staart

De staart wordt horizontaal of licht opwaarts gedragen. Van opzij gezien zonder knik vanuit de ruglijn komend.

Voortbeweging

In stap en draf is de beweging verend en ruimgrijpend met een goede anticipatie.

In galop beweegt de Grote Munsterlander elastisch en zwierig met de nodige stuwing de sprongen zijn ruim en ver.

Fouten

Iedere afwijking van bovengenoemde punten moet als fout gezien worden. De beoordeling van de ernst van de fout staat in verhouding to de graad van de afwijking.

*Kop: schedel is te breed, te diepe stop; ramsneus; snoekneus; ontbrekend pigment, geheel of slechts stippen; losse of overhangende lippen; lichte gebitsfouten: tanggebit, dubbele P1, ontbreken van een- of tweemaal een P1 resp. M3; te lichte ogen, zichtbaar rood bindvlies; Laag aangezette of afstaande oren; te korte, te lange, te dikke, te dunne hals; losse keelhuid.


* Romp: Rug te lang, doorgezakte rug, karperrug; lendenen zwak bespierd, overgang naar kroep niet harmonisch, overbouwd; korte, smalle of sterk hellende kroep; tonvormige of smalle borst, onvoldoende diepe borst; onvoldoende voorborst; te sterk opgetrokken buik; te diep aangezette buik.


* Ledematen: te lage of te korte schouder; te steile hoeking van de voorhand of achterhand; uitstaande of uitdraaiende ellebogen; te slappe enkelgewrichten; te nauwe of te brede stand van de poten; koehakkig of o-benen; Ronde kattevoeten, lange hazevoeten, spreidvoeten, te nauwe of te wijde stand van de tenen.


* Staart: zijwaarts gedragen, naar boven krullend, knikstaart, krulstaart.


* Stap en draf: kort, stijf, trippelend. Galop: korte, stijve sprong, te weinig stuwing.

Enkele fouten zijn uitsluitend. Honden die deze duidelijk fysieke afwijkingen of gedragsstoornissen vertonen worden uitgesloten door het fokbeleid.

* Agressief of angstig gedrag
* Witte neusspiegel
* Entropion, ectropion
* Bovenvoorbijtend gebit, ondervoorbijtend gebit, kruisgebit, ontbreken van snijtanden of hoektanden, ontbreken van molaren of premolaren (P2, P3, P4; M1, M2)
* Kleuren die niet voldoen aan de rasstandaard
* Schotschuwheid, iedere graad van schotgevoeligheid
* Angst voor levend wild, angstbijter, angst voor vreemde mensen.
* Verlamming van de voorhand
* Epilepsie
* Mono- of cryptorchisme